Inflatie.html

 
ca de en es fr it nl no pl pt ru ro fi sv tr vo


 

 Dit artikel beschrijft het begrip inflatie in de economie. Voor het begrip inflatie in de kosmologie, zie kosmische inflatie.
De zwarte, dikke lijn toont de evolutie van de inflatie in Europa in de voorbije jaren.
De zwarte, dikke lijn toont de evolutie van de inflatie in Europa in de voorbije jaren.
Argentinië kende in de jaren 90 een inflatie die opliep tot circa 3000 procent.
Argentinië kende in de jaren 90 een inflatie die opliep tot circa 3000 procent.
Inflatie in de wereld (cijfers omstreeks 2005).
Inflatie in de wereld (cijfers omstreeks 2005).

Inflatie (letterlijk 'opblazen') is een begrip uit de economie en kent twee betekenissen, een algemene en een specifieke. Meestal wordt met inflatie prijsinflatie bedoeld, dat wil zeggen een stijging van het algemeen prijspeil. Behalve prijsinflatie kent men ook monetaire inflatie. Dit is een technisch begrip en betekent dat de geldstroom per saldo toeneemt. Dit wordt meestal veroorzaakt door een toename van de maatschappelijke geldhoeveelheid. Monetaire inflatie hoeft echter niet altijd te leiden tot prijsinflatie. Vanwege het specifieke karakter van het begrip monetaire inflatie wordt de toevoeging prijs bij prijsinflatie meestal weggelaten en wordt in het dagelijks spraakgebruik met inflatie steeds een stijging van het algemeen prijspeil bedoeld.

Door een stijging van het algemeen prijspeil kan een daling van koopkracht optreden. Dit gebeurt echter alleen als de lonen procentueel minder snel stijgen dan de prijzen.

Inhoud

bewerk Vormen van (prijs)inflatie

Er worden twee hoofdvormen van (prijs)inflatie onderscheiden, kosteninflatie en bestedingsinflatie.

bewerk Kosteninflatie

Bij kosteninflatie hebben we te maken met bedrijven die hun gestegen kosten doorberekenen in de verkoopprijzen, omdat ze zo veel mogelijk winst willen blijven maken. Als de kosten van het maken van een product 10 euro zijn en de verkoopprijs is 15 euro, dan maakt het bedrijf een winst van 5 euro. Stijgen de kosten naar 12 euro, dan zou het bedrijf slechts 3 euro winst maken. De meeste bedrijven zullen daarom bij gestegen kosten de verkoopprijs willen verhogen. Een bekend voorbeeld uit de praktijk is het verhogen van de benzineprijs aan de pomp als de olieprijs stijgt of van de productprijs als de loonkosten per product stijgen. Dit gebeurt als de loonkosten (per tijdseenheid) per werknemer sneller stijgen dan de gemiddelde arbeidsproductiviteit. Als voor deze loonkosteninflatie prijscompensatie wordt verlangd, ontstaat het gevaar van een loon-prijsspiraal. Dat is het verschijnsel dat lonen en prijzen elkaar voortdurend opjagen omdat de werknemers hun koopkracht willen handhaven en de werkgevers hun winst. Behalve loonkosteninflatie zijn er nog andere vormen van kosteninflatie, zoals geïmporteerde inflatie en inflatie door de overheid als die bijvoorbeeld belastingen, accijnzen of heffingen verhoogt. Dit geldt echter alleen voor verhogingen die door producenten kunnen worden afgewenteld, dus voor verhogingen die zij kunnen doorberekenen in hun verkoopprijs.

bewerk Bestedingsinflatie

Bestedingsinflatie ontstaat in een situatie van overbesteding. Bedrijven zitten met een volledig bezette productiecapaciteit en hebben moeite om aan de vraag van hun klanten te voldoen. De economie draait op volle toeren. De meeste bedrijven streven naar een zo hoog mogelijke winst. In zo'n situatie kunnen zij hun verkoopprijzen verhogen. De klanten stromen immers toe. De omzet gaat omhoog en bij gelijke kosten betekent dat meer winst. Bestedingsinflatie deed zich in Nederland voor aan het einde van de jaren negentig. Het ging toen erg goed met de Nederlandse economie en veel bedrijven hebben toen hun prijzen fors verhoogd.

Bestedingsinflatie leidt tot geldschepping. Want hoe kunnen mensen en bedrijven betalen voor de extra vraag die ze uitoefenen? Bij een gelijkblijvend inkomen of vermogen voor een individu, betekent meer uitgaven voor het een, automatisch minder voor het ander. Tenzij men de geldhoeveelheid vergroot door te lenen. Voor de samenleving als geheel gaat dit precies eender op. Inflatie wordt bepaald middels de geaggregeerde vraag, dus van alle goederen samen. Bij een gelijkblijvende geldhoeveelheid kan er geen inflatie ontstaan, hooguit verschuiving van de vraag tussen goederen onderling. Per saldo verandert er dan niets aan de prijzen. Het lenen van geld vergroot de collectieve vraag ten opzichte van de nog niet meegegroeide productiecapaciteit waardoor de prijzen stijgen. Dat is inflatie. Door de technologische ontwikkelingen en productverbetering, alsmede door grotere efficientie, kan er bij gelijke geldhoeveelheid, deflatie ontstaan.

Murray Rothbard omschreef inflatie als: "[Inflation may be defined as] any increase in the economy's supply of money not consisting of an increase in the stock of the money metal." [1]

bewerk Effecten van inflatie

Een inflatie van 2 of 3 procent per jaar wordt als acceptabel beschouwd. Een product dat dit jaar 100 euro kost, zal dan volgend jaar 102 tot 103 euro kosten. Als de lonen gelijk met de inflatie stijgen, blijft de koopkracht gelijk. Anders stijgt of daalt de koopkracht. Het handhaven van een lage inflatie is een belangrijk doel van de instantie (regering of centrale bank) die het uitgeven van geld beheert, en daarmee het monetair beleid voert. In Europa is dat de Europese Centrale Bank (ECB).

Inflatie wordt gemeten door middel van de consumentenprijsindex (CPI): een lijst van producten (goederen en diensten), hun wegingsfactoren en hun prijsindex, die centraal wordt bijgehouden en de verandering van het algemeen prijsniveau over de tijd bepaalt. In Nederland wordt de CPI bijgehouden door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Er zijn wel enige kanttekeingen te maken bij het begrip inflatie.De prijzen voor huishoudelijke uitgaven door consumenten bijvoorbeeld kunnen met een heel ander percentage stijgen dan de prijzen van grondstoffen als olie of goud, of de prijzen van huizen. Doordat er veel verschillende indexen zijn, ontstaat er ruimte voor bijvoorbeeld vakbonden, werkgevers en de overheid tot manipulatie. Door bepaalde posten uit de index te schrappen of er juist in op te nemen, of door naar het ene inflatiecijfer te verwijzen en daarmee gemakshalve het andere te negeren, waarin bepaalde posten niet zijn geïntegreerd. Een voorbeeld daarvan in België is de zogenaamde 'gezondheidsindex', waarin naast sigaretten ook de brandstofprijzen ontbreken (en die laatste stijgen juist heel veel).

Hyperinflatie in Duitsland na WO 1: de bankbiljetten branden langer dan het hout dat ze met dat geld kunnen kopen
Hyperinflatie in Duitsland na WO 1: de bankbiljetten branden langer dan het hout dat ze met dat geld kunnen kopen
  • Een normale (lage) inflatie (kleiner dan 2 procent) is gunstig voor de economie: het spoort de consument aan goederen te kopen want uitstel betekent dat men meer moet betalen voor hetzelfde product. Het maakt ook lenen interessant want inflatie knabbelt aan de interest die je op de lening moet betalen. En een economie draait goed als er gekocht wordt. Deflatie, daling van het algemeen prijsniveau, heeft het omgekeerde effect: de consument zal zijn aankopen uitstellen omdat hij er later minder voor zal betalen.
  • Een land met te hoge inflatie ondervindt vaak dat investeerders niet meer in het desbetreffende land willen investeren. Als de interest op een spaarrekening (bijvoorbeeld 2,5 procent) lager is dan de inflatie (bijvoorbeeld 3 procent), dan lijdt een kleine spaarder op termijn verlies. Hij kijkt dan beter uit naar een andere belegging of koopt goederen of harde valuta. Als de situatie escaleert, kan het monetair systeem van een land instorten. Als alle burgers hun tegoeden bij de bank opeisen kunnen banken al dat geld niet direct op tafel leggen zonder enorme verliezen te maken. De banken investeren immers zelf dat geld op lange termijn.
  • In een aantal gevallen verloopt inflatie zo snel en in zo sterke mate, dat men van hyperinflatie spreekt. Het meest saillante voorbeeld hiervan was de monetaire crisis in Duitsland waar men in november 1923 voor een brood miljarden mark op tafel moest leggen. In een maand tijd was de inflatie 2500 procent. De economische structuur van het land stortte ineen, en men ging weer goederen ruilen tegen goederen: ruilen in natura. Tijdens de financiële crisis in Argentinië op het einde van de 20e eeuw besloot de regering tot bevriezing van alle banksaldi met slechts een vrijlating van het maandsalaris, omdat de inflatie opliep tot een hoogte van 3000 procent. De getroffen maatregelen lokten woedende reacties uit van Argentijnen die hun spaargeld zagen ineenschrompelen tot vrijwel niets. Het meest recente voorbeeld van hyperinflatie is het Zimbabwe van Mugabe. Volgens een woordvoerder van de Movement for Democratic Change (MDC) steeg de inflatie in zijn land in juni 2007 tot 10.000%. Maar dat was slechts het begin van duizelingwekkende getallen: in november 2007 bedroeg de inflatie 26.000%, in februari 2008: 66.000%, [2], in juli 2008 is dit gestegen naar zo'n 2,2 miljoen procent volgens de Zimbabwaanse regering maar volgens veel wetenschappers is de inflatie er nog vele malen hoger.

Het tegengestelde verschijnsel van inflatie, een daling van de prijzen, heet deflatie. Dit begrip moet niet verward worden met desinflatie. Dat betekent dat de inflatie minder wordt. Andere verwante begrippen zijn stagflatie en reflatie.

bewerk Monetaire inflatie

Monetaire inflatie wil zeggen dat de geldstroom per saldo toeneemt. Aan de hand van de verkeersvergelijking van Irving Fisher (MV = PT) kan dit verschijnsel uitgelegd woden. De geldstroom bestaat uit twee componenten:

  • M = Money (de maatschappelijke geldhoeveelheid)
  • V = Velocity (de snelheidwaarmee oftewel het aantal malen dat het geld per periode van eigenaar wisselt)

De geldstroom is dan gedefineerd als M x V. M x V = P x T. Of in woorden: de geldstroom is gelijk aan de waarde van de goederenstroom.

M en V vormen de monetaire economie, P en T de reële economie. Een groei van MV leidt tot een toename van de vraag naar goederen en daarmee, zolang de productiecapaciteit nog niet is bereikt, ook tot een toename van de productie, dus van T. Zolang de economie zich in deze situatie van onderbesteding bevindt, leidt monetaire inflatie in dit model dus niet tot een stijging van het algemeen prijspeil (P), maar tot een stijging van de productie (T). Blijft MV echter toenemen nadat de productiecapaciteit is bereikt, dan zal het gemiddelde prijspeil (P) stijgen. T is immers maximaal. Monetaire inflatie leidt dus alleen in een conjuncturele situatie van overbestedening tot prijsinflatie: zo luidde de kwantiteitstheorie van Fisher. Overigens geldt dit alleen voor bestedingsinflatie. Kosteninflatie kan niet worden verklaard met dit model.

Bestedingsinflatie kan door een centrale bank bestreden worden door een restrictief monetair beleid. Dan wordt het de algemene banken moeilijker gemaakt kredieten te verstrekken aan het publiek. Dt kan bijvoorbeeld door verhoging van de herfinancieringsrente. Dit leidt tot een afname van (de groei) van M, waardoor de vraag naar goederen minder toeneemt, de druk op de productiecapaciteit vermindert en de kans op bestedingsinflatie kleiner wordt.

bewerk Bronnen

bewerk Zie ook

bewerk Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen, noten en/of referenties:
:Afbeelding:Nl-Inflatie-article.ogg
  Door op de afspeelknop te klikken kunt u dit artikel beluisteren. Na het opnemen kan het artikel gewijzigd zijn, waardoor de tekst van de opname wellicht verouderd is. Zie verder info over deze opname of download de opname direct (meer info over gesproken Wikipedia)
All Right Reserved © 2007, Designed by Stylish Blog.